Vertalingen
Klanten
Interessante links
[ FR | ENG]

Welkom, meldt u hier aan

      

Test je kennis


  1. Waar zijn ze vandaag naartoe ...... .

    • gebleven
    • gegingen
    • gaan
    • geweest
  2. 16.20 u: Het is ...... .

    • twintig voor vier
    • twintig over vijf
    • tien voor half vijf
    • tien over half vijf
  3. Ik moet ..... voor die straat.

    • kijk uit
    • uitkijken
    • kijken uit
    • uitkijk
  4. Hij heeft maar vier ..... nodig.

    • uur vaak
    • uur slaap
    • uren slapen
    • uren vaak
  5. Wij hebben een nieuwe hond ..... .

    • gekoopt
    • kopen
    • vekocht
    • gekocht
  6. ....... hond ........ je?

    • Wat / kies
    • Welk / verkies
    • Welke / verkies
    • Wat / verkies
  7. Vanavond blijf ik ..... .

    • tehuis
    • huis
    • aan huis
    • thuis
  8. ..... we ..... hebben winnen we de hoofdprijs.

    • Als / kans
    • Als / geluk
    • Toen / kans
    • Toen / geluk
  9. Kies de correcte zin:

    • Gisteren ik ben niet werken gegaan.
    • Gisteren ik ben niet werken gaan.
    • Ik ben niet gisteren gaan werken.
    • Gisteren ben ik niet gaan werken.
  10. De tweede man van mijn moeder is ....... .

    • mijn oom
    • mijn schoonvader
    • mijn stiefvader
    • mijn nonkel
  11. Hij heeft dan toch zijn kandidatuur ..... .

    • gediend
    • verdiend
    • ingediend
    • ge├»ntroduceerd
  12. De Noordpool ligt in ..... .

    • het Noord
    • de Noord
    • het noorden
    • de noorden
  13. ..... je die ..... aan de secretaresse geven?

    • Wil / letters
    • Wilt / brieven
    • Wil / brieven
    • Wilt / letters
  14. We waren gisteren ..... op dat feest.

    • met twintig
    • twintig
    • met twintigen
    • twintigen
  15. Ik heb ...... vriend.

    • niet een
    • geen
    • niet enkele
    • veel
  16. Wij hebben thuis twee ...... .

    • wagen
    • wagens
    • auto
    • autos
  17. Ik heb die brief gisteren ...... .

    • gezonden
    • gestuurd
    • verstuurd
    • sturen
  18. Hij heeft me gekwetst. Ik heb onze relatie definitief ....... .

    • gebroken
    • gebreken
    • verbroken
    • broken
  19. Er zijn twee ..... dossiers.

    • soorten van
    • soorten
    • groepen
    • groepen van

 


Terug naar boven